De onoplosbare paradox

Het zou me niet verbazen als de begrippen 'doen' en 'niet doen', die de redactie van Inzicht als thema voor dit nummer gekozen heeft, heel wat emoties gaan losmaken bij de lezer en aanleiding zullen geven tot een paar meer dan felle discussies. Logisch. Twee meer radicaal tegengestelde begrippen zijn moeilijk te vinden, dus een opsplitsing in twee kampen ligt voor de hand, te meer daar ieder individu zich in meer of mindere mate gedwongen zal voelen tot het maken van een keuze. Want welke willekeurige situatie je je ook voor ogen probeert (of niet probeert) te stellen, iets 'doen' of juist 'niet doen' als reactie op die situatie is bijna altijd onvermijdelijk en iedere keuze die je dan maakt is nu eenmaal uiterst persoonlijk, met alle heftige gemoedsbewegingen van dien. De vraag 'doen of niet doen' gaat misschien nog wel dieper en is daardoor pijnlijker dan de vergelijkbare, klassiek geworden vraag 'to be or not to be' van William Shakespeare. Zijn of niet zijn, dat klinkt nog tamelijk abstract, maar doen of niet doen, dat raakt een mens in al zijn neuroses en wonden.

De problemen, die hier worden opgeroepen, inclusief de oplossingen die we ervoor bedenken n de ruzies die we vervolgens over die oplossingen gaan maken, lijken volstrekt reel. Je kunt ze wel proberen weg te redeneren of onschadelijk te maken door ze bijvoorbeeld als 'illusie' te bestempelen, maar dat is dan gewoon n mogelijke reactie erop en zeker niet De Ultieme Oplossing.
Maar zowel doen als niet doen veronderstelt de aanwezigheid van een doener (of op zijn minst een niet-doener) en zodra we die doener bij de discussie betrekken klaart de lucht onmiddellijk op, want er is gewoon geen doener, geen ik, geen centrale instantie die overziet en bepaalt wat er gebeurt. Er is alleen wat er is. Weliswaar kan wat er is er uitzien als een ik die iets doet (of niet doet), maar in werkelijkheid is wat er is onder alle omstandigheden altijd en overal gewoon wat er is. Het heeft geen naam, het kent geen indeling in bijvoorbeeld 'ik hier' en 'jij daar' en het hoeft niet te worden opgelost. Er is niets persoonlijke, al kan het lijken alsof er een persoon is. Er is niets dat gedaan moet worden, al kan het lijken alsof er een kritieke situatie bestaat. En er is zelfs niets dat gedaan (of niet gedaan) wordt, al lijkt het alsof er van alles gebeurt. Er is gewoon niets en dat niets ziet eruit als dat wat er is.

Maar voor het in gewetensnood verkerende individu zijn dit soort praatjes niet erg bevredigend. Praatjes vullen geen gaatjes, zei mijn moeder altijd. Het lijkt te koud, te onpersoonlijk, te gemakkelijk. En dat is het ook!
Bovenstaande tirade tegen het ik, tegen de werkelijkheid van het individu is dan ook geen waarheid die geaccepteerd, geen wijsheid die begrepen moet worden. Ze is niet meer (maar ook niet minder) dan het wijzen op de andere kant van de medaille, de kant die altijd uit het oog verloren wordt. Aan de ene kant: ja, het individu, met al zijn zorgen, al zijn op zichzelf gerichte liefde en al zijn bezieldheid bestaat, verdient het om serieus genomen te worden en is heer en meester over de schepping. Aan de andere kant: nee, dit individu bestaat juist helemaal niet en het idee dat het wl zou bestaan is complete onzin.
Beide kanten van de medaille zijn waar... en onwaar. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en iedere poging om n van de twee kanten buiten beeld te houden is gedoemd te mislukken. Probeer het maar eens!

Dit dilemma, dit absoluut onoplosbare raadsel, is de situatie waarin de mens zich bevindt. Het wordt in oudere, meer primitieve (maar ik zou liever zeggen: meer magische, niet zo sterk rationele) culturen omschreven als lila, het goddelijke spel waarin god speelt dat hij de mensen en de wereld is, terwijl hij desalniettemin overal en altijd onveranderd 'gewoon' god blijft.
Een prachtig beeld, maar het is misschien niet helemaal van deze tijd en ik kan me voorstellen dat niet iedereen er troost bij zal vinden. Dat laatste is natuurlijk een gevolg van het feit dat het hier gaat om een beschrijving van de werkelijkheid vanuit god, niet vanuit de mens, want de mens speelde in deze oude culturen nog niet de eerste viool. En god hoeft zichzelf niet te troosten, voor welk leed dan ook, al heeft hij de volle vrijheid om dat af en toe toch te doen. Hij hoeft zichzelf ook niets uit te leggen, hoe onbegrijpelijk of onrechtvaardig een bepaalde 'situatie' ook is, al zal hij ook dit af en toe toch gewoon doen.

Maar de moderne mens leeft vanuit zichzelf en dan zal iedere metafoor, ieder beeld waarmee hij zich van zijn voetstuk getrokken voelt worden, pijnlijk zijn en ook niet erg geloofwaardig overkomen. Misschien om die reden begint de Boeddha zijn samenvatting van het menselijk bestaan met de vaststelling dat er lijden is. Dat kan niemand ontkennen. Merk op dat er in deze Eerste Edele Waarheid nog geen sprake van een lijdende is. Er is alleen lijden, geen persoon die lijdt, net zo min als in de volgende twee Edele Waarheden, waarin de Boeddha constateert dat er een oorzaak voor dit lijden is en de mogelijkheid dat die oorzaak ophoudt te bestaan. Pas bij de Vierde Edele Waarheid komt de aap uit de mouw, want dan wordt er een methode aangeboden om hieraan te werken. Vanaf dit moment moet er iets worden gedaan (om precies te zijn: er moet juist worden gehandeld, gedacht, enz.) en dan is het dus gewoon weer een kwestie van doen en niet doen. Mogelijk is die Vierde Edele Waarheid een latere toevoeging vanuit het niet begrijpende individu aan een veel oudere, niet individuele beschrijving van de condition humaine, maar dit is natuurlijk zuiver speculatief en doet in het geheel niet ter zake.
Hoe dan ook, ls het zo is gegaan is het niet anders gegaan dan het altijd gaat. Iedere poging om iets te zeggen, iets te beschrijven (laat staan iets uit te leggen) draagt de kiem van zijn falen onherroepelijk in zich, want woorden zijn de manier waarop individuen met elkaar communiceren en worden altijd uitgesproken n begrepen op een individuele manier. En dus niet begrepen. Wat gelukkig geen enkel probleem is, want woorden kunnen alleen maar falen.

Daarom vind ik het beeld van een goddelijk spel zo mooi en ook zo doeltreffend, want het is woordeloos. Maar toch, zodra het individu erover na begint te denken zullen er gedachten ontstaan en emotionele reacties die het beeld afwijzen. Een spel klinkt ook al gauw te vrolijk of te vrijblijvend, het is niet realistisch genoeg voor het individu dat zijn of haar leven als onbevredigend ervaart. Een treurspel, vooruit, dat kan misschien nog wel, met mij als hoofdpersoon dan. En zo zijn inderdaad de spelregels als ze worden gezien vanuit het individu.
Maar god, die dus ondertussen gewoon het individu met al zijn lijden is, kent andere spelregels. Die regels zijn niet uit te leggen, maar desalniettemin zijn ze heel eenvoudig. Ze luiden als volgt: er is niets, maar dit niets manifesteert zich niet als niets (zoals 'jij' die hierover nadenkt zou verwachten), maar als alles (inclusief 'jij' die denkt dat je hierover zit na te denken). Dat is alles. Maar het is tegelijkertijd niets, want volslagen wartaal, nietwaar?
Inderdaad, het is wartaal. Over dit wat is valt geen zinnig woord te zeggen en wie dat toch probeert zit er altijd naast. Dit, het enig zijnde, het altijd levende, is niet iets wat door een individu kan worden waargenomen, besproken, uitgelegd of aangewezen. 'Waar een individu is is geen verlichting' hoor je in dit verband wel eens iemand beweren. Dat klopt, zou je kunnen zeggen, maar draai het eens om: 'Waar verlichting is is geen individu'. Dat klopt niet! Want het wonderlijke van de hele zaak is dat het individu verlichting is en nooit anders kan zijn dan verlichting. Er is alleen maar verlichting en of die verlichting zich nu manifesteert als een individu dat iets doet of als een individu dat iets niet doet (of als een volstrekte afwezigheid van iedere vorm van individu-zijn), dat maakt voor verlichting geen enkel verschil.

Een ander beeld, dat mij persoonlijk(!) al even goed bevalt als dat van lila, is dat van een vogel in een lege kooi. 'Ik ben een vogel in een lege kooi'. Er klopt iets niet aan deze uitspraak, maar wat? 'Ik ben een vogel', nou vooruit, maar 'in een lege kooi'... hoe kan er berhaupt iets zijn in een kooi die leeg is? Is dit een doordenker? Word ik geacht dit te snappen?
Het is een paradox, een onoplosbare schijnbare tegenspraak. Het zijn de twee zijden van de medaille die hier zijn samengevoegd tot n, onmogelijk geheel. Ik besta... en ik besta niet.
Als het waar is dat ik besta valt het woord 'leeg' weg uit de paradox, wordt alles begrijpelijk en kan ik verder doen wat ik wil, hetzij om me uit de kooi te bevrijden, hetzij om die kooi zo comfortabel mogelijk te maken. Als het waar is dat ik niet besta valt de hele paradox weg en is er geen probleem meer, want er is geen ik, dat al of niet gevangen zit en dus is er ook geen kooi, die al of niet leeg is.

De paradox is dat het allebei waar is en... dat het allebei onzin is. Ga daar maar eens aan staan, als individu. Doen of niet doen, wat doet u?
Maar wat u ook doet, er gebeurt niets. En schitterend, langgerekt, allesomvattend niets, waarin alles gebeurt.

Is dat duidelijk?
Ik hoop van niet,
maar dank u zeer voor uw aandacht.

En als ik bij wijze van P.S. nog even een kleine anekdote mag toevoegen die mooi laat zien hoe krachtig en vooral hoe onzichtbaar het ik altijd bezig is om alles, maar dan ook echt alles naar zich toe te trekken:
Een wereldberoemde violist ontmoet op straat een vriend. Na hem een half uur lang de oren van het hoofd te hebben gepraat over zijn wel en wee zegt hij "Genoeg over mij, laten we het eens over jou hebben. Hoe vond je mijn concert gisterenavond?"


Gepubliceerd in InZicht jrg 15, nr.4, november 2013



Terug