Schaken een jurysport?

Vreemd eigenlijk dat er geen golf van ontzetting door de schaakwereld rolde toen we in het vorige nummer van Schaakmagazine lazen dat Jaap van den Herik verwacht dat de beste computers in 2035 het schaakspel zullen hebben opgelost. Blijkbaar lezen wij dit niet als de aankondiging dat we nog maar zo'n twintig jaar te leven hebben, wat het toch in feite is. Zijn we murw gebeukt door de al decennia geleden ingezette invasie van computers in wat ooit 'onze' wereld was? Het is waar dat we ons er goed aan hebben aangepast. Het schaken is misschien wel populairder dan ooit, zij het op een heel andere manier dan in de dagen van stampvolle clubavonden en grote stukken in de krant.
Grappig trouwens dat Jaap, als hij kijkt naar de toernooien van computerprogramma's onderling, erkent dat er een keerzijde is aan het hoge niveau van die programma's (namelijk dat ze onderling heel veel remises spelen) en oppert dat dit kan worden opgelost met korte bedenktijden of verplichte openingskeuzes. Niets menselijks is de computer vreemd, zou je bijna zeggen.
Maar misschien kan het ene probleem wel met het andere worden opgelost. Waarom wordt schaken geen jurysport? Als het inderdaad zover komt dat er een vaste computerevaluatie is gekoppeld aan iedere stelling en aan iedere mogelijke zet, dan kan de computer beide spelers dus een totaalwaardering geven voor de hele partij. Het is de meest objectieve en onkreukbare jury ter wereld! Tiebreak? Remise? Laat de computer een winnaar op punten aanwijzen. Zelfs winst en verlies kunnen op die manier gevoeglijk worden afgeschaft. Wat zou je je nog druk maken over wie er toevallig gewonnen heeft als je ook aan de jury kunt vragen wie het best gespeeld heeft?
Toekomstvisioen, nachtmerrie, onzin? Wie zal het zeggen? O ja, de computer natuurlijk.
Gepubliceerd in Schaakmagazine oktober 2017


De kampioen en de computer

Wat ik het meest bewonder in de topspelers van tegenwoordig is hun vermogen om zich staande te houden tegenover de nooit aflatende kritiek van dat alziende monster, dat we toen het zich voor het eerst in de arena vertoonde Het Beest noemden, maar dat tegenwoordig eenvoudig de computer heet. Vroeger was het woord van de topspelers wet. Zij maakten geen fouten, 'vergisten' zich hooguit wel eens of gaven achteraf toe dat het hier en daar misschien iets beter gekund had. Suggesties van lager geplaatsten werden gepareerd met ingewikkelde analyses of hooghartig genegeerd. "Ik ben de grote kampioen, dus ik heb gelijk" was hun motto. Maar tegenwoordig vraagt iedere topspeler direct na een partij, nederig en leergierig, aan zijn engine of er fouten zijn gemaakt en accepteert hij alle correcties direct. De computer heeft immers altijd gelijk. Erger nog, volgers en journalisten die al tijdens de partij hun engines aan hebben staan, controleren eigenlijk alleen nog maar of de spelers wel de juiste zetten doen. Alles wat het ding daarbij aan fouten signaleert wordt zonder enige vorm van relativering in hun beschouwingen opgenomen. Ze gedragen zich assertief en zelfverzekerd, totaal anders dan hun collega's uit het pre-computertijdperk.
Carlsen, Kramnik, Giri, hoe houden jullie dit vol? Ik herinner me nog goed hoe vermorzeld ik me voelde toen een waarschijnlijk naar huidige maatstaven baby-versie van Fritz me er na een partij tegen Boris Avrukh in Amsterdam 1999 op wees dat ik te vroeg had opgegeven. Het was een ervaring die mijn toch al gedeukte ego een complete knock-out gaf. Oké, ik was geen wereldkampioen en een opgeblazen ego is nooit goed, maar een topspeler moet vertrouwen in eigen kunnen hebben. Waar halen jullie dat vandaan als je er continu op wordt gewezen dat je fouten maakt, zelfs door schakers die geen paard van een loper kunnen onderscheiden, maar wél in staat zijn de beoordeling van hun engine van -0,3 naar 3,0 te zien uitschieten? Hebben jullie het niet meer nodig om je aan alles en iedereen superieur te voelen? Zijn jullie hersenen flexibeler geworden? Behoren jullie misschien tot een nieuwe mensensoort, die is geïntegreerd met de computer, die zich niet door die grote digitale allesbeterweter gekleineerd voelt, maar er integendeel juist sterker van wordt? Mijn bewondering voor jullie is groot, mijn onbegrip nog veel groter. En mijn computer kan het me niet uitleggen.
Gepubliceerd in Schaakmagazine augustus 2017

Wim Andriessen

Wim Andriessen

Met Wim Andriessen maakte ik kennis in 1971, ik vijftien oud en net kampioen van Limburg geworden, hij de grote man van Schaakbulletin en op zoek naar een snippertje nieuws. Schaakbulletin, dat blad wat zo totaal anders was dan het officiële bondsblad Schakend Nederland! Geen bestuurderstaal, geen droge opsommingen van wat er allemaal aan wedstrijden en toernooien te gebeuren stond of gebeurd was, maar boeiende verhalen van de beste Nederlandse schakers over hun partijen, hun toernooien, hun kijk op het leven, hun wereld. Met af en toe zelfs een bijdrage van de grote Donner, waar je dan telkens zo verschrikkelijk om moest lachen dat je vergat dat schaken een ernstige zaak is. En daar stond de baas van dat blad zomaar plotseling voor me!
Maar Wim praatte heel gemakkelijk met schakers in die tijd, vooral omdat hij toen zelf nog een echte schaker was. 1971 was het jaar waarin hij aan een zeer sterk bezet Nederlands kampioenschap had meegedaan, waar hij met 4 uit 11 en een tiende plaats goed overeind was gebleven. Later bleek hij er ook nog eens een klein maar zeer fijn toernooiboek van gemaakt te hebben, maar voor zijn passie om de Nederlandse schaakcultuur te vieren en te documenteren zou ik pas later oog krijgen.
Toch is juist dát zijn grote verdienste geweest. Zoals hij het bruisende Nederlandse schaakleven van de jaren zeventig in Schaakbulletin én in een grote verscheidenheid aan door hemzelf uitgegeven boeken heeft vastgelegd, het is een unieke prestatie geweest die niet genoeg kan worden gewaardeerd. Daarbij ondersteunde hij ook het streven van de jonge generatie van toen naar een professioneel schakersbestaan. Simpel gezegd: hij bood schakers werk. Dat dat in de loop der jaren ook met veel conflicten gepaard ging was inherent aan de dubbele pet die hij altijd ophad. Hij was een socialist die ondernemer werd. Met de omzetting van Schaakbulletin naar New in Chess in 1983 zette hij de kroon op zijn werk, al treurden veel Nederlandse schakers om het verdwijnen van 'hun' lijfblad. New in Chess werd al snel een grote naam in de grote schaakwereld, synoniem voor de hoogste kwaliteit op het gebied van schaakjournalistiek en openingstheorie. Het is een merkwaardige speling van het lot dat hij ondertussen zelf steeds onzichtbaarder werd, hij die ooit zo nadrukkelijk in het middelpunt had gestaan. Nu is hij dood. Maar we vergeten je niet, Wim.
Gepubliceerd in Schaakmagazine juni 2017


Magnus Carlsen

Gewoon schaken

Hoe lukt het Magnus Carlsen toch altijd weer om van de meest onnozele openingen een wapen te maken? Iemand die 1.d4 d5 2.Lf4 opent zou in 'mijn' tijd op zijn best wat meewarig bekeken zijn. Lui, doet zijn huiswerk niet, ongevaarlijk, doorstrepen. Ik denk dat de oplossing van dit raadsel precies hierin zit dat Magnus juist niet lui is, zijn huiswerk wel degelijk doet en heel gevaarlijk is. Als Magnus 2.Lf4 speelt doet hij dat niet de negatieve instelling 'ik wil niets met de openingstheorie te maken hebben, waar is de uitgang?', maar vanuit de positieve houding 'hier kan ik iets mee'. Hij ontwijkt de strijd niet, hij zoekt die juist op, maar wel op zijn voorwaarden en niet op die van zijn tegenstander. Ook andere grote spelers deden dit al, Larsen bijvoorbeeld, Kramnik in zijn latere periode, Lasker.
Door de jaren heen is wat je zou kunnen noemen de wetenschappelijke aanpak altijd de dominante geweest: openingen zo diep en zo goed mogelijk bestuderen en proberen om iedereen (minstens) één stap voor te zijn. Kasparov, Anand, overgrootmeesters van de openingsvoorbereiding, zij wisten altijd alles en meer.
Maar Carlsen is niet geïnteresseerd in dat ene stapje méér, hij doet juist - hoewel hij de theorie uitstekend kent - een heleboel stappen achteruit. Waar is het vroegste punt dat de gebaande paden kunnen worden verlaten? Op zet twee? Oké, dan beginnen we daar. Zijn kracht is dat hij dan ook inderdaad meteen begint. Geen langzaam opwarmen in een voorbereide variant, maar onmiddellijk op volle kracht spelen. Zo zet hij, op een heel andere manier dan Kasparov dat deed, zijn tegenstanders meteen onder druk. Niet alleen is de voorbereiding op een partij tegen Carlsen heel anders dan ze gewend zijn, zijn tegenstanders moeten ook nog eens veel harder werken dan in een partij die met twintig zetten theorie begint. Je moet het wel kunnen natuurlijk, want wie zo speelt als Carlsen stelt op de eerste plaats hoge eisen aan zichzelf. Als je zulke 'slappe' openingen immers niet met honderd procent inzet speelt worden het inderdaad.. slappe openingen. En dat is niet de bedoeling.
Gaat Magnus dit volhouden, ook als hij wat ouder wordt? Ik denk het wel. Lasker en Larsen hielden het ook vol. Spelers als hij forceren zichzelf niet, ze doen 'gewoon' waar ze het best in zijn: gewoon schaken.
Gepubliceerd in Schaakmagazine april 2017


Emanuel Lasker

Emanuel Lasker en de remisedood

Wat ik altijd weer mis in de vele recente discussies over het hoge remisegehalte van het moderne topschaak, meestal (venijnig) toegespitst op concrete gebeurtenissen of personen, zoals de match om het wereldkampioenschap tussen Carlsen en Karjakin of het spel van Anish Giri, is historisch besef. Tot diep in de negentiende eeuw overheerste het romantische idee dat schaakpartijen gewonnen kunnen worden door 'briljant' spel, een vorm van tovenarij eigenlijk, die een geniaal schaker in staat zou stellen om de winst, in wat voor stelling dan ook, altijd naar zich toe te trekken. Wilhelm Steinitz was de eerste die zich op een meer wetenschappelijk standpunt stelde: de beginstelling is in evenwicht, dus als er geen fouten worden gemaakt is remise een normale uitslag.
Zijn opvolger Emanuel Lasker was het hiermee eens, maar voorzag ook dat dit uiteindelijk wel eens zou kunnen betekenen dat topspelers niet of nauwelijks meer van elkaar konden winnen. Om deze "remisedood" maakte Lasker zich niet alleen zorgen, hij stelde ook meteen wat oplossingen voor. Anders dan de moord-en-brand-schreeuwers van tegenwoordig, die over het algemeen niet veel verder komen dan de topspelers uitschelden, dreigen met schorsing, boetes, of het almaar verder opschroeven van het speeltempo, getuigen deze voorstellen van Lasker niet alleen van intelligentie, maar ook van respect en begrip voor zowel het spel als de spelers. Wat Lasker voor ogen stond was bijvoorbeeld een uitbreiding en verfijning van het scala aan mogelijke uitslagen van een partij. Tussen een 1 en een 0 moest volgens hem niet alleen een 0,5-0,5 maar ook een uitslag als 0,7-0,3 mogelijk zijn. Het hele scala aan decimalen kan worden benut. Als criterium hiervoor stelde hij de materiaalverhouding in de slotstelling voor. Koning plus loper levert meer op dan koning alleen, enzovoort, enzovoort. Ook het pat kan desgewenst in zo'n schaal worden meegenomen en zo van zijn remisewaarde worden ontdaan.
Het is allemaal niet doorgegaan, misschien omdat niemand zo ver vooruit wenste te denken als Lasker, misschien omdat men aan hoge remisepercentages gewend raakte en misschien ook wel omdat zeer velen helemaal geen probleem in het fenomeen remise zagen.
Van mij hoeft het niet, ik ben een groot bewonderaar van Anish Giri en ik vond de match Carlsen-Karjakin heel spannend, maar als je dan toch gaat hervormen, doe het dan op een manier een denksport waardig. Met verstand, niet met de guillotine.
Gepubliceerd in Schaakmagazine februari 2017


Eddie Scholl

Eddie Scholl

Toen de FIDE in 1950 de officiële titels meester en grootmeester met bijbehorende kwalificatie-eisen creëerde, waren er natuurlijk meteen discussies over "wie wel, wie niet en waarom". Sindsdien zijn de regels vele keren veranderd, aangepast zou je kunnen zeggen aan de eisen van de veranderende tijden. Die flexibiliteit is in principe zeker prijzenswaardig, maar er is méér aan de hand, want ergens in die 67 jaar heeft er een fundamentele omslag plaatsgevonden in het denken over deze titels. Waar aanvankelijk de insteek lijkt te zijn geweest dat voorkomen moest worden dat mensen die een meester- of grootmeestertitel 'onwaardig' waren er toch een zouden weten te bemachtigen, lijkt de FIDE nu al vele jaren de titels vooral zo toegankelijk mogelijk te willen maken. Allerlei nieuwe kleine regeltjes maken het de kandidaat steeds gemakkelijker, zoals de regel dat je een titelnorm al kan laten vastleggen voordat het toernooi is afgelopen. Het écht moeilijke stuk, de laatste meters, het volhouden onder steeds grotere druk, is hiermee geëlimineerd. Bovendien kan je tegenwoordig een titelresultaat behalen in wedstrijden van zéér uiteenlopend kaliber, tot aan de KNSB-competitie toe. Tot ongeveer 1980 was het vanzelfsprekend dat titelnormen alleen behaald konden worden in 'echte' toernooien, reden dat de kandidaten van toen maar heel af en toe überhaupt een kans kregen. En áls je dan een kans kreeg moest het ook meteen raak zijn. Slechts weinigen haalden het in die tijd.
Maar goed, waar het me hier om gaat is dat ik onlangs tot mijn stomme verbazing 'ontdekte' (ik wist het natuurlijk wel, maar was het volkomen vergeten) dat zelfs Eddie Scholl nooit meester is geworden. Eddie Scholl! In zijn topjaar 1970 kampioen van Nederland, 10½ uit 17 op het eerste bord tijdens de Olympiade in Siegen, een goed resultaat in de grootmeestergroep van het IBM-toernooi (o.a. remise met zwart tegen wereldkampioen Spassky). En wat al niet meer, zou ik willen zeggen, maar helaas stopte hij al een paar jaar later met het serieuze schaak en werd leraar. Er zijn tegenwoordig maar heel weinig grootmeesters die op zulke resultaten kunnen wijzen, maar Eddie, hij werd zelfs geen meester.
Daarom mijn oproep: wij willen toch niet dat deze oud-kampioen zonder titel blijft rondlopen! O, grote, machtige KNSB. Gooi uw godganse gewicht in de schaal en zorg dat deze man een titel krijgt. En dan liefst een die beter klinkt dan Sterkste Titelloze Nederlandse Schaker Ooit. Want die heeft hij al.
Gepubliceerd in Schaakmagazine december 2016


Bent Larsen








Beroepsschaker

Het is geen bijzonder mooi woord en toen het nog op mij van toepassing was gebruikte ik het zo min mogelijk, maar het heeft zijn nut. Wie 'beroepsschaker' zegt (en niet kortweg 'schaker') legt de nadruk op het geld dat met dat schaken wordt verdiend en zet daarmee het schaken in een maatschappelijk perspectief dat ook voor de niet-schaker begrijpelijk is. Het is een woord voor de buitenwereld, een paspoort eigenlijk en ik herinner me dat Hans Ree er inderdaad eens heel gemakkelijk mee langs de toch soms lastige Amerikaanse grenscontrole kwam. "A nice, quiet profession, mister" en verder geen vragen.
Maar in feite bestaat er niet zoiets als een beroepsschaker, althans niet in de zin van iemand met een vastomlijnd, voor iedereen begrijpelijk beroepsprofiel met bijbehorend salarisniveau en carrièrevooruitzichten. Met uitzondering misschien van de schakers van vroeger uit het Oostblok, die inderdaad een duidelijk omlijnde en stevig in hun maatschappij verankerde positie hadden (maar dat had iedereen daar), heb ik in mijn leven geen twee schakers gekend die ook maar bij benadering dezelfde weg bewandelden. Het enige wat ons verenigde was dat we tegen elkaar schaakten. We waren schakers of eigenlijk: we waren vrije jongens. We deden wat we het liefste deden en we konden dat doen omdat we er geld mee verdienden. Maar hoe we dat schakersbestaan verder invulden (of hoe de maatschappij rondom ons dat voor ons invulde), financieel, maatschappelijk, persoonlijk, daar vond iedereen zijn eigen weg in. Of niet. Er gaat wel eens iets mis in een mensenleven natuurlijk en ook met menig schaker is het niet helemaal goed afgelopen. Maar is dat in andere 'beroepsgroepen' anders? Ook een piloot of een bankemployee kan de weg kwijtraken en de kans dat hij daarbij onnodig veel schade aanricht is heel wat groter dan wanneer een schaker ontspoort.
Wie voor het schaakspel kiest gaat een vrij leven tegemoet, met alle vreugde én alle gevaren van dien. En niemand weet van tevoren wanneer het afgelopen zal zijn. Is het niet wonderlijk? Het lijkt wel - durf ik het te zeggen? - het leven zelf. Geen zekerheid, behalve de zekerheid dat je veel gaat winnen en ook veel gaat verliezen. En dat daar een keer een eind aan komt. Nou ja, wat wil je nog meer eigenlijk?
Gepubliceerd in Schaakmagazine oktober 2016



Het Nederlands kampioenschap

Zondag 21 augustus gaat in Amsterdam het Nederlands kampioenschap 2016 van start. Opnieuw zullen acht van onze beste spelers uitmaken wie zich voor een jaar Nederlands kampioen mag noemen. Anish Giri is er niet bij, maar dat maakt het toernooi niet minder spannend en de titel niet minder prestigieus. Van iemand die zo ver boven 'de rest' uitsteekt kun je niet verwachten dat hij ieder jaar meespeelt en wie het goed met hem voorheeft moet dat zelfs niet willen. Laat Anish nou maar rustig op zijn eigen ijle hoogte zijn eigen gave rondjes draaien en wees blij als hij zo nu en dan op aarde landt om bij te tanken en we hem allemaal even aan kunnen raken. Zo deden ook Euwe en Timman dat in hun tijd en zo is het goed.
Er wordt vrijwel ieder jaar veel kritiek geleverd op het kampioenschap ("te kort, te duur, te elitair, niet interessant") en er valt natuurlijk ook veel over te zeggen, maar wat je in al die discussies zelden hoort is dat Nederland hierin een vrijwel unieke traditie heeft. Ik ken geen enkel ander land, of het zou Rusland moeten zijn (maar dan noem je ook wat!), dat al zo lang én met zoveel zelfrespect zijn nationale titelstrijd organiseert. Waar andere landen al jaren geleden hun kampioenschap hebben laten verslonzen door er een open toernooi van te maken of er om andere redenen maar zelden in slagen om hun topspelers bijeen te brengen (geen geld, geen organisatie, geen zin, geen benul), heeft Nederland al sinds mensenheugenis dit prachtige toernooi, waar de beste spelers onder goede omstandigheden (altijd vergeleken met de tijd waarover we praten - er is natuurlijk in de loop van meer dan een eeuw veel veranderd) hun onderlinge prestigestrijd uit kunnen vechten.
Deze traditie, die van een goed kampioenstoernooi, is ouder dan die van het Hoogovens/Corus/Tata Steel-toernooi, ouder ook dan vrijwel alle 'particuliere' toernooien elders in de wereld. En dat terwijl de organisatoren (en de verantwoordelijke KNSB-bestuurders) toch altijd weer anderen zijn! Blijkbaar is het houden van een serieuze kampioenswedstrijd iets wat diep in de genen van het Nederlandse schaakleven verankerd ligt. Wij willen het misschien niet hardop toegeven, maar wij hebben respect voor onze kampioenen. En dus organiseren wij een respectabel toernooi voor ze. Het Nederlands kampioenschap, een toernooi om trots op te zijn.
Gepubliceerd in Schaakmagazine augustus 2016


Käty van der Mije

Een grande dame

Het is alweer zo'n tweeënhalf jaar geleden dat Käty van der Mije overleed. Ze was één van de grootste vrouwelijke schakers van Nederland, maar eigenlijk was ze dat ook weer niet, want tijdens haar glorietijd in de jaren zestig (toen hoorde ze inderdaad bij de absolute wereldtop) was ze nog Roemeens en nadat ze zich in 1974 in Nederland vestigde heeft ze nog maar een paar jaar serieus geschaakt, al bleef ze tot haar dood een hartstochtelijke liefhebber van het spel en was ze inderdaad nog jarenlang de beste in ons land, wat niet zo moeilijk voor haar was met haar Roemeense niveau en bijbehorende prestatiemoraal. Ter herinnering aan haar werd onlangs in Haarlem het Grande Dame toernooi georganiseerd, een goedgekozen naam want zoals ook Max Euwe na zijn actieve schaaktijd als een soort zon boven de schaakwereld bleef hangen (en door Hein Donner, zijn opvolger als Nederlands beste, steevast met grand maître werd aangesproken), zo bleef ook Käty toen ze niet meer speelde op de achtergrond de nieuwe generaties overschaduwen (al zou ze zelf de eerste zijn geweest om dat tegen te spreken - en fel!). Ze was een bijzondere vrouw, zoals natuurlijk alle mensen bijzonder zijn, maar bij haar viel het op.
Het is onmogelijk om haar persoonlijkheid, haar leven of zelfs enkel haar schaakcarrière in een column ook maar bij benadering enigszins recht te doen. Alleen al met de ontwikkeling van haar naam (van Alexandra Ekaterina Nicolau tot Käty - spreek uit Keetie - van der Mije) zou je een paar bladzijden kunnen vullen. Laat ik het hierbij houden: ze hielp mensen. Toen ik in de Olympiade van Thessaloniki in 1988 in de laatste ronde een totaal gewonnen stelling tegen John Nunn remise liet lopen, waardoor Nederland de zilveren medaille en ik mijn eerste grootmeesterresultaat miste raadde ze me vriendelijk, maar dringend aan om 'hulp te zoeken'. Fijngevoelig als ze was liet ze het vervolg 'bij een psycholoog' onuitgesproken, maar ik begreep wat ze bedoelde. Het gaf me een schok. Niet de suggestie dat ik mentaal tekortkwam, maar in de impliciete verzekering dat ik niets anders tekortkwam lag de geweldige kracht van haar advies. Het kwam over. Ergens in mijn hoofd ging er een knop om en minder dan een jaar later was ik plotseling werkelijk de grootmeester die zij toen al in me wilde zien. Een grande dame, jawel Käty.
Gepubliceerd in Schaakmagazine juni 2016


Gata Kamsky in 1994

Kandidaat

Goed beschouwd gaat iedere column die ik schrijf, wat het onderwerp ook zijn mag, altijd over mezelf. Is dat egocentrisch? Misschien. Maar aan de andere kant: kan het anders? Ik sta nu eenmaal in het middelpunt van mijn universum. Er zijn natuurlijk wel gradaties in de mate van openlijkheid waarin je over jezelf schrijft, variërend van 'alleen voor de goede verstaander' tot 'onverbloemd'. Deze keer wordt het 'onverbloemd'.
Met Anish Giri in het Kandidatentoernooi word ik er geregeld aan herinnerd dat ik, afgezien van Jan Timman die decennialang op dat niveau bivakkeerde, de laatste Nederlander was die tot deze voorlaatste fase van de strijd om het wereldkampioenschap wist door te dringen. In januari 1994 speelde ik in Wijk aan Zee een Kandidatentweekamp tegen Gata Kamsky (en verloor die). Voor mij was deelname aan dit toernooi toen, hoewel geen toeval, toch duidelijk een 'uitschieter naar boven'. Voor Giri is het, net als voor Timman indertijd, gewoon de plaats waar hij thuishoort.
Is er iets in mijn ervaring van toen wat ook maar enigszins teruggevonden zou kunnen worden in die van Giri van nu? 'Gelukkig niet' is mijn eerste gedachte. Niet alleen was 1994 een volstrekt andere, nog vrijwel computervrije tijd, Anish is natuurlijk een veel betere speler dan ik het ooit was. Maar toch. De loodzware voorbereiding, de druk van de buitenwereld en vooral, overal bovenuit torenend, de wetenschap dat je er zo dichtbij bent, dat moet nu toch allemaal nog hetzelfde zijn als toen. Het zelfvertrouwen, de opwinding die je voelt omdat je al zo ver gekomen bent, het besef dat een stapje nóg verder gewoon mogelijk is. De zeer klein geworden groep mededingers versterkt dit hoog-in-de-bergen-gevoel. Het doet er niet meer toe dat er misschien talloze schakers beter zijn dan jij, wat telt is dat zij er niet meer bij zijn en jij nog wel.
Dus het omgaan met die positieven en negatieven, dat hebben we allebei doorgemaakt. Maar hoe we dat gedaan hebben? Totaal verschillend natuurlijk, dat kan niet anders, dus hier gaan onze wegen alweer uit elkaar. Maar één belangrijk aspect van het spelen van een Kandidatentoernooi moet voor hem nog komen: de morning after. Ongeacht het resultaat, het spelen van een Kandidatentoernooi of -match is zo'n intense ervaring. Mentaal sta je op een berg, de enige weg is naar beneden. Maar dan? Anish, op naar die volgende berg!
Gepubliceerd in Schaakmagazine april 2016


Robert Schumann

Robert Schumann

Je zou het eigenlijk helemaal niet vreemd moeten vinden, maar iedere keer als ik ontdek dat iemand die vanwege iets heel anders bekend of beroemd is óók graag schaakt (of schaakte) sta ik even zeer verbaasd. Blijkbaar ervaar je als schaker de schaakwereld onwillekeurig als zo afgesloten dat je telkens weer vergeet dat die 'wereld' natuurlijk talloze overlappingen met andere 'werelden' heeft. Sterker nog, als je er even over nadenkt besef je al snel dat er niet zoiets als een afgesloten schaakwereld bestaat (vooruit, misschien gedurende twee weken in januari in Wijk aan Zee dan) en dat 'zelfs' een schaker ook nog in een aantal andere werelden leeft - moet leven, want van harte gaat dat niet altijd, denk maar aan Bobby Fischer.
Nou goed, mij overkwam dat in ieder geval weer eens toen ik niet lang geleden het Robert Schumann Museum in de oude Duitse stad Zwickau binnenstapte en daar tot mijn verbazing ontdekte dat de grote componist (1810-1856) een gepassioneerde schaker bleek te zijn geweest. Hij nam een zakschaakspel mee als hij op reis ging en hij noteerde partijen die hij speelde in een informele vriendenschaakclub in Leipzig waartoe ook de oprichter van de Deutsche Schachzeitung behoorde. Dat noteren was in die tijd trouwens geen sinecure, want dat ging nog volgens de methode "de witte koningspion gaat twee velden vooruit". Zeer bewerkelijk dus en misschien gebeurde het wel pas na afloop, vergelijkbaar met de 'post mortem', de analyse achteraf van tegenwoordig. Hoe dan ook moet het een inspanning hebben gevergd die een oprechte toewijding aan het schaakspel verraadt.
Nu is Schumann bepaald niet de eerste musicus waarvan ik weet dat hij schaakt en ook op allerlei andere terreinen lopen en liepen er talloze schakers rond die 'eigenlijk' iets anders zijn en voor wie schaken een "sublieme bijzaak" is (Johan van Hulst). Natuurlijk is dat zo! Er zijn oneindig veel meer amateurschakers dan professionals, voor wie het schaken meestal een dermate allesoverheersende hoofdzaak is dat ze helemaal niet eens weten dat het ook een bijzaak kán zijn.
Waarom dan altijd weer die verbazing? Misschien ligt de oorzaak toch vooral in het merkwaardige dubbele perspectief van de vroegere professional voor wie dat 'vroeger' inmiddels zo lang geleden is dat hij vanzelf weer amateur is geworden. En telkens weer verbaasd is als hij daarmee wordt geconfronteerd.
Gepubliceerd in Schaakmagazine februari 2016
Dankzij de nieuwe hoofdredacteur, Jeroen Bosch, heeft Paul zijn column vanaf 2016 weer kunnen hervatten


Johan Barendregt (foto New in Chess)

Het inzicht van Johan Barendregt

De redenen die mensen wel opgeven waarom ze schaken zijn ontelbaar en het zou me niet verbazen als er zelfs evenveel redenen zijn als schakers. Een van de meest indringende die ik ooit tegenkwam was die van Johan Barendregt, van 1962 tot aan zijn dood in 1981 hoogleraar psychologie en tevens een van de beste schakers van Nederland tussen pakweg 1945 en 1970. In een gesprek met Max Pam, in 1975 gepubliceerd in de prachtige interviewbundel De zuiverste liefde is die tussen een man en zijn paard, legde hij uit wat hem zo aantrok in de schaakwereld en wat hem motiveerde om naast zijn drukke en boeiende baan óók op hoog niveau te blijven schaken. "Het is je eigen schuld als je verliest. Het is een eerlijke wereld. Niemand kan praatjes maken, of een grote mond opzetten want de resultaten tellen." In zijn vakgebied, vertelde hij, was dat totaal anders omdat "het niet zo gemakkelijk na te gaan is wie goed is in zijn vak en wie niet". Wie de grootste mond heeft komt een heel eind. Ook zijn eigen functioneren als psychoanalyticus viel voor hem in die categorie. "Dan heb je altijd gelijk. Je verliest nooit."
Ik was negentien toen ik dit voor het eerst las en eigenlijk kan ik het toen nog niet begrepen hebben. Maar toch, ik heb het al die tijd wel onthouden, dus eigenlijk kan ik het ook niet niet begrepen hebben. Ik moet in zijn analyse hebben herkend waarom de schaakwereld ook voor mij zo'n prettige wereld was, een veilige wereld. Achter het schaakbord ben je niet in contact met en dus veilig voor een hele categorie mensen die je in de gewone wereld het leven zuur maken: leraren of leidinggevenden met een veel te hoge dunk van zichzelf, oncollegiale collega's, ambtenaren die weigeren om achter hun punten en komma's vandaan te komen, enfin, iedereen kan zich er wel iets bij voorstellen. Domheid en arrogantie vind je overal. Waar je niet veilig voor bent is je tegenstander, maar de strijd tegen hem is een eerlijke strijd, die je op zijn ergst achterlaat met het besef een fout te hebben gemaakt, niet met het machteloze gevoel oneerlijk of incompetent behandeld te zijn.
Sinds ik gestopt ben met wedstrijdschaak loop ik weer vaker tegen zulke mensen op. Het doet me soms terugverlangen naar die harde, maar eerlijke strijd op het schaakbord waar alleen de sterkste kan winnen en waar het 'bezit' van enkel een machtspositie niet voldoende is. Maar die tijd ligt achter me en misschien is dat maar goed ook. Zo kom je er tenminste nog eens achter waarom je je al die tijd, ondanks het voortdurend moeten leveren van een topprestatie, zo op je gemak hebt gevoeld in de schaakwereld. Middenin een strijd op leven en dood, waar kun je veiliger zijn?

Deze column schreef Paul nadat hij zijn medewerking aan Schaakmagazine had beëindigd en werd geïnspireerd door zijn conflict met de hoofdredacteur, die zoals de bekende literatuurcriticus Kees Fens het in een soortgelijke situatie uitdrukte "niet met zijn vingers van mijn kopij af kon blijven".


Anish Giri (foto Tata Steel)

Volwassen

Ik heb toch heel wat interviews gelezen in mijn leven, maar zelden maakte er een meer indruk op me dan dat met Anish Giri in het vorige nummer van Schaakmagazine.
Zo nuchter, maar absoluut niet saai of nietszeggend. Zo vol zelfvertrouwen, maar zonder een spoor van arrogantie. Zo eerlijk en open, maar zonder dat me ook maar een ogenblik de gedachte bekruipt: stop, dit wil ik niet weten. Zo sprankelend ook - wat is schaken toch mooi als je twintig bent.
Eigenlijk kan ik er maar één kwalificatie voor bedenken: volwassen. Nooit eerder hoorde ik een schaker zo volwassen praten over zichzelf.
Zesde op de wereldranglijst: hij relativeert ("Het verandert elke dag"), maar zonder iets aan zijn prestatie af te doen. Hij geeft een inkijkje in het hoofd van de moderne topspeler (Vraag: "Voel je je al een stabiele top-10 speler?" Antwoord: "Tegenwoordig voelt niemand zich een stabiele top-10 speler"). Hij geeft wezenlijke psychologische inzichten ("Karjakin is een heel defensieve speler en tegen dat type speler verlies je je gevoel voor gevaar") en plotseling begrijp ik - eindelijk! - het geheim van oud-wereldkampioen Petrosian. Hij verbluft de interviewer (Gert Devreese) met de mededeling dat hij niet jong meer is ("Ik ben al 20"), niet koket, niet kinderlijk naïef, maar gewoon volkomen juist en bovendien van cruciaal belang voor een goed begrip van zijn positie tussen de andere toppers. Op het verwijt dat hij te weinig risico zou nemen legt hij geduldig uit dat er een verschil is tussen risico nemen en in vorm zijn, tussen speelstijl en ambitie.
En dan de manier waarop hij over de verhoudingen in Nederland praat! Zo realistisch, zo nuchter en zo totaal zonder enig vertoon van superioriteit. Het is gewoon een verademing.
Maar wat misschien nog het meest indrukwekkend is: zoals hij koeltjes stelt dat hij wereldkampioen wil worden en daar meteen ook het juiste recept voor geeft. "Ik neem het van dag tot dag". Dat hoor je mensen wel vaker zeggen, maar Anish legt uit wat het in de praktijk betekent: morgen je partij willen winnen en dan weer en dan weer, totdat je ten slotte ook de kampioen verslagen hebt. Moeilijk, maar duidelijk en niet zonder humor.
Het is een en al volwassenheid, een kwaliteit die in Nederland schaars is. Anish brengt het ons. Waarlijk, een geschenk uit het oosten.
Gepubliceerd in Schaakmagazine april 2015


"koop mijn boeken" :)

Voorbereiding

Hoe bereid ik me voor? Wat moet ik weten voordat ik mijn openingszet doe en weet ik wel meer dan mijn tegenstander? Zulke vragen kunnen zwaar drukken op de gemoedsrust van een schaker die naar een partij toeleeft en gek genoeg wordt die druk naarmate je je beter voorbereidt alleen maar groter. Openingsvoorbereiding is een van de gevaarlijkste deelverslavingen binnen die ene grote verslaving die het schaken zelf is en vereist niet alleen werkkracht, maar vooral koelbloedigheid en zelfvertrouwen.
Het beste advies wat ik erover kan geven is dan ook: begin er niet aan (het op een na beste is: koop mijn boeken). Maar ik weet dat dit onzin is. Wie schaakt begint nu eenmaal iedere partij opnieuw vanuit de beginstelling en onvermijdelijk ga je vroeg of laat serieus over die stelling nadenken. En dat kan inderdaad zeer beklemmend zijn.
Maar misschien lucht het op om er eens op een heel andere manier naar te kijken. Een schaker die aan zijn openingen werkt lijkt op een musicus die zijn eigen composities uitvoert. Hij opereert op het raakvlak van twee verschillende aspecten van creativiteit. Al scheppend zal hij nooit uit het oog verliezen dat er grenzen zijn aan wat hij als uitvoerder kán, maar als uitvoerder zal hij juist weer de grenzen willen opzoeken van wat hij gecomponeerd heeft.
De beste voorbereiding legt je openingsspel dan ook zowel vast als niet vast. Vast, want je stopt pas met je voorbereiding als je voldoende zeker van je zaak bent. Niet vast, want er moet altijd ruimte voor improvisatie blijven, ruimte om af te wijken, te verbeteren en vooral om te kunnen reageren op onverwachte tegenzetten. Op dit punt gaan de wegen van de schaker en de musicus weer uiteen, want de laatste heeft geen tegenstander. Maar voor beiden is het van het grootste belang om, als het op de uitvoering aankomt, op vertrouwd terrein te zijn. Een goede openingsvoorbereiding levert niet zozeer gratis punten op (al zijn die natuurlijk nooit weg), maar verkent het terrein waarop je die punten aan het bord gaat maken.
Of niet natuurlijk, want er is veel onrecht in de wereld. Maar dat is weer een ander verhaal en bovendien maar goed ook, want ook als mijn opening mislukt wil ik wél nog kunnen winnen.
Gepubliceerd in Schaakmagazine februari 2015


Giri-Shirov (foto Peter Doggers)

Commentaar

De laatste ronde van het Univé Toernooi in Hoogeveen is in volle gang. In de twee tweekampen die dit jaar het toernooi bekronen staan de winnaars al vast, maar er is zeker geen sprake van inhoudsloze slotpartijen, want zowel in Jobava-Timman als in Giri-Shirov woedt een felle strijd. De aandacht van de twee commentatoren op de website, Jan Gustafsson en Fransisco Vallego Pons, richt zich voornamelijk op de partij van Giri, die rechtstreeks vanuit de opening een moordende koningsaanval in handen lijkt te hebben gekregen. Wat ik zie is echter niet het oude, vertrouwde beeld van opgewonden stuurlui-aan-wal, die elkaar met matvarianten om de oren slaan. Het verwarrende gevoel bekruipt me dat ze zelfs helemaal niet naar varianten lijken te zoeken. Ze kijken naar hun computerschermen en praten geanimeerd. Heel keurig en onderhoudend, maar zo onwerkelijk. Hebben deze twee grootmeesters dan geen belangstelling voor die superscherpe stelling? Beseffen ze niet dat de hele Sveshnikovvariant hier op instorten staat (nou ja vooruit, niet de hele Sveshnikov, maar toch)? Interesseert het schaken ze eigenlijk überhaupt nog wel?
Maar dan begrijp ik het. Gustafsson en Vallego geven hun commentaar vanuit de onuitgesproken basisgedachte dat de computer het in dit soort stellingen toch altijd beter weet. Menselijk commentaar is niet alleen overbodig, het is onwenselijk. Ze geven geen commentaar op de zetten, maar op het commentaar dat de computer geeft. Daarbij vertellen ze reuze interessante dingen, die me enorm bijpraten over de stand van zaken op het gebied van de hightech. Het gaat over hardware en software en over pre-Houdini preparation. De termen computerstelling en beyond human capacity vallen frequent. "We never think. We read out the computer evaluation" zegt Gustafsson nog. Ze krijgen gelijk. Shirov, in menselijk gezelschap toch een superrekenaar, verliest kansloos. Later bevestigt Giri hun diagnose, als hij in een interview zegt dat "some old computer" de situatie na 22.Kf1! blijkbaar nog in evenwicht vond, maar dat het volgens het nieuwste Beest toch echt heel goed is voor wit.
Some old computer! Wat zal het geweest zijn? Toch wel iets met een rating van ver over de 3000, schat ik. Maar de pointe lag dus voorbij zijn horizon en ja, ieder nieuw apparaat legt de horizon weer een paar zetten verder, dus dan ben je inderdaad nergens meer met je oude voorbereiding.
Angstaanjagend?
Gepubliceerd in Schaakmagazine december 2014


Ton Timman (foto New in Chess)

Ton

Over de "herverkiezing" van Iljoemzjinov zeg ik niets. Per slot van rekening is het woeden van deze megalomaan altijd nog niet het ergste wat de mensheid overkomt. Buiten de schaakwereld richt hij eigenlijk weinig schade aan.
Maar het overlijden van Ton Timman, dát is een gebeurtenis die om woorden vraagt en ook om tranen. Ton, die in zijn jonge jaren bijna altijd in één adem werd genoemd met jonge broer Jan. Samen schuimden ze de weekendtoernooien af, samen verkenden ze de grenzen van hun mogelijkheden en samen zetten ze het Nederlands kampioenschap van 1972 naar hun hand, totdat... op het allerlaatste moment een sprookje een nachtmerrie werd. Met nog één ronde te gaan stond Coen Zuidema bovenaan, maar hij leek te worden weggespeeld door Ton. Jan had een halfje minder dan Zuidema, maar hij won van Hans Böhm en op dat moment zag het er dus naar uit dat hij het kampioenschap door zijn broer op een presenteerblaadje kreeg aangereikt. Winst voor Ton betekende een ongedeelde eerste plaats voor Jan, remise een beslissingstweekamp. Het werd - de lezer voelt het aankomen - een dramatische nederlaag en dat was een klap die de schaker Ton waarschijnlijk nooit meer te boven is gekomen. In ieder geval boekte hij hierna geen vooruitgang meer, al kan dat ook iets met zijn studie te maken hebben gehad en met het feit dat hij niet was gezegend met hetzelfde echt grote talent en met de killersmentaliteit van zijn broer. Wel speelde hij nog een jaar of vijftien in de KNSB-competitie voor Desisco/Watergraafsmeer, waar ik in 1975 teamgenoot van hem werd en hem leerde kennen als een onconventioneel, intelligent en gevoelig mens. Hij bleef al die tijd een beetje een icoon voor me, een ster van de generatie vóór mij, iemand waar ik tegenop keek. Maar we hebben toch ook heel wat afgelachen. Weet je nog, Ton, dat weekend in Gent, de sneeuw, de 10-0 en die in een bevroren vijver verdwenen auto van de wedstrijdleider? Nee, dat weet je nu niet meer. Maar ik weet het nog en zal het niet vergeten. En jou ook niet.
Gepubliceerd in Schaakmagazine oktober 2014



Een eenvoudig spel, maar...

Nuchter beschouwd is schaken een eenvoudig spel. Men leert de regels, wit doet een zet, zwart doet een zet en dat gaat een tijdlang zo door totdat er iemand mat staat of om andere redenen geen volgende zet meer kan of wil bedenken.
Maar het wordt moeilijker wanneer geen van beiden de sukkel wil zijn die wordt mat gezet. Want op dat punt besef je onherroepelijk dat zomaar wat zetjes doen niet goed genoeg is. En wie goede zetten wil doen merkt dat daar een inspanning voor nodig is, een forse inspanning zelfs, zeker als de tegenstander zich ook niet onbetuigd laat. En wanneer die tegenstander dermate goede zetten gaat doen dat het gewoon niet leuk meer is, wordt het écht moeilijk. Maar tegelijk wordt het ook pas dan echt een mooi spel.
Ongeveer op deze manier probeerde ik ooit mijn vader uit te leggen wat de essentie van het schaakspel is en hoe iemand er toe kan komen om er zijn hele ziel en zaligheid in te leggen. Zonder succes. Hoe een spelletje spannend zou kunnen zijn wilde er bij deze volkomen praktisch ingestelde man niet in. Het is toch maar een spelletje?
Die onmogelijkheid om mijn vader uit te leggen waar ik mee bezig was, ging gepaard met heftige gevoelens van eenzaamheid, maar ook van bijzonderheid. Wow! Een wereld te hebben ontdekt die voor mijn vader blijkbaar niet zichtbaar is. Hier ben ik dus de baas. Mijn vader kan er niet eens binnenkomen, laat staan dat hij me zou kunnen corrigeren.
Wat wél indruk op hem maakte was dat ik er blijkbaar erg goed in was en dat ik er zelfs geld mee verdiende, net zoveel als hij met zijn nuchterheid, zijn techniek en zijn motoren. Zo werden we uiteindelijk toch min of meer elkaars gelijken en ontstond er een vorm van begrip, ook zonder dat we elkaar begrepen.
Maar deze drang, deze behoefte om aan niet-schakers uit te leggen wat het eigenlijk betekent een schaker te zijn, heeft me - net als het schaken zelf - nooit meer verlaten. Van schaker tot schrijver over het schaken, het is voor mij een natuurlijke stap geweest. Een eenvoudig spel, maar je raakt er nooit over uitgepraat.
Gepubliceerd in Schaakmagazine augustus 2014



Terug