IJdelheid

IJdelheid. Waar denken we aan bij dit woord? Aan het Bijbelboek Prediker, dat in de 17e-eeuwse Statenvertaling 'ijdelheid' gebruikt om iets te vertalen wat te groot is voor woorden, maar waarin woorden als 'nietigheid', 'vergeefsheid', 'vergankelijkheid' allemaal onderdak vinden? Of aan de meer persoonlijke betekenis van ijdelheid: het pronken met jezelf, de zelfingenomenheid met je uiterlijk (of je innerlijk)?
Het is opvallend dat de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004 het woord 'ijdelheid' heeft vervangen door 'leegte'. Dat doet vermoeden dat de vertalers bekend zijn met oosterse filosofieën zoals het hindoeïsme en het boeddhisme, waarin 'leegte' een centraal begrip is. Wordt hier impliciet toegegeven dat oosterse en westerse wijsheid uit één bron drinken? Dat zou best wel spectaculair zijn voor een Bijbelvertaling.
Zelf zou ik trouwens misschien nog wel een stapje verder gaan en in plaats van 'ijdel' of 'leeg' met woorden als 'absurd' en 'onzinnig' aankomen. Dat is oosters noch westers en het benadrukt dat datgene wat wordt bedoeld ontoegankelijk is voor rede en woorden, én dat precies dát is waar het om gaat.

Maar eigenlijk vind ik die andere betekenis van ijdelheid toch interessanter. Een ijdele man of vrouw: dat is niet abstract, dat gaat over mij. Natuurlijk ben ik ijdel. Hoewel mijn uiterlijk objectief gezien geen schoonheidsprijs verdient voel ik meestal wel tevredenheid als ik in een spiegel kijk. Voor mijn innerlijk geldt dat misschien nog meer. Als ik bijvoorbeeld slechte (of geen) kritieken krijg op de boeken die ik schrijf stoomt de woede soms mijn oren uit. Iedere positieve bespreking daarentegen, als is het maar één losse opmerking, bezorgt me steevast een weldadig gevoel.
De vraag is alleen: wie is die 'ik' die dit allemaal voelt, denkt en beleeft en zegt dat hij ijdel is? Ben ik die 'ik'? Werkelijk?

Deze vraag nu is de kern waaromheen iedere leer, iedere godsdienst en iedere filosofie is gegroeid en een dikke korst gevormd heeft. Voor mij, het individu dat zichzelf 'ik' noemt, is die korst voedzaam. Het is iets waar 'ik' over na kan denken, op kan mediteren, kortom, het is iets waar 'ik' mijn voordeel mee kan doen om een betere 'ik' te worden. Tevredener, rustiger, gelukkiger, verlichter. Logisch dus, dat 'ik', net als veel andere 'ikken', de begroeiing van al die kernen hongerig en vol enthousiasme afgraas.

En zo komen we er dus nooit. Waarom niet? Omdat we er al zijn. Of we grazen of niet. Of we willen of niet. En dat is het grote wonder. Het is het wonder waarin alle ijdelheid, nietigheid, vergeefsheid en vergankelijkheid verdwijnt én weer uit tevoorschijn komt. Ook woorden vallen hierin weg ... en komen weer terug.

Ik Ben.
Wie zal het tegenspreken?

ik ben
dus ook
want wat doet zo'n hoofdletter er nou toe?

Tja,
je hoort het niet,
maar je ziet het wel.
Moeten we nu onze ogen geloven
of onze oren?

Het eind van het liedje:
ook hier hebben we dus weer geen flikker aan.
Ik schiet er geen meter mee op.

En het wonderlijke, niet te begrijpen,
maar essentiële
van dit onzinverhaal is:
dat hoeft ook niet.

Je bent er al.

Welkom bij je Zelf
bij jezelf
bij je Zelf
bij jezelf
...
...


Gepubliceerd in InZicht jrg 22, nr.2, mei 2020



Terug